
Sluiting oude scheepsboekhouding
Artikel 1
1
Indien aan een vordering een recht van voorrang is verbonden ingevolge een pand- of verbandbrief ten laste van een schip, dat is opgenomen in de scheepsboekhouding, aangehouden volgens het Koninklijk besluit van 21 Juni 1836, Staatsblad no. 41, welks eigenaar noch aan de hem bij artikel 26, eerste lid, van het Koninklijk besluit van 28 December 1925, Staatsblad no. 518, opgelegde verplichting heeft voldaan, noch ook binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een verklaring van eigendom betreffende dat schip heeft doen overschrijven in het scheepsregister, wordt deze vordering zes maanden na voormelde inwerkingtreding opeisbaar en vervalt het recht van voorrang een jaar na deze inwerkingtreding.
2
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt bij de verdeling van de opbrengst ener executie, bij de vereffening van een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap en in geval van faillissement het recht van voorrang in acht genomen, indien het beslag is gelegd, de nalatenschap is opengevallen of het faillissement is uitgesproken voordat een jaar sedert het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is verstreken.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.